24 mei 2016

Gods geest is er vanaf het begin bij, niet los verkrijgbaar, mét dat Hij spreekt gebeurt het ook.

Op zondag 15 mei, Pinksteren, ging ds Marieke Fernhout voor. Zij sprak over Pinksteren. Hieronder de volledige tekst.

Pinksteren – feest van die zo ongrijpbare Geest met de vele namen:
adem, troost, licht, liefde, rust, verbondenheid, vreugde….
Het Pinksterfeest zoals wij dat kennen is ontstaan vanuit de bekende geschiedenis van de leerlingen van Jezus die worden aangeraakt door Iets, Iemand, dat hen in vuur en vlam zet.

Lezing: 1 Koningen 19: 8-16 (Naardense Bijbel)

Het Hebreeuwse woord “ruach” en het Griekse woord “pneuma”, die allebei met “Geest” worden vertaald, betekenen ook allebei “wind”. En in Genesis 1, het scheppingsverhaal, komt die “ruach” al voorbij, als de adem van God over de chaos gaat om die tot zijn orde te roepen.
Dat ademen en spreken van God gebeurt op hetzelfde moment, en dan gebeurt hét ook: God ademt/spreekt “Er zij licht!” en er wás licht. En God zag dat het goed was…
Gods geest is er dus vanaf het begin bij, niet los verkrijgbaar, mét dat Hij spreekt gebeurt het ook.
En dat horen we óók weer terug in het verhaal van Elia.
Voorafgaand aan het gedeelte dat je net las, heeft er een krachtmeting plaatsgevonden tussen Elia en de priesters van Baäl. Deze Baälpriesters waren door koningin Izébel meegenomen uit haar vaderland, en haar echtgenoot koning Achab, die “van huis uit” bij Israel en de God van Israel hoorde, nam het niet zo nauw met één of meer goden en dwaalde zo van zijn God – die ook Elia’s God is – af. Elia heeft afgerekend met deze Baälpriesters en als we hem aantreffen bij de berg Horeb is hij op de vlucht voor een woedende Achab en Izébel, die hem dood willen hebben.
Elia is moe, uitgeput van zijn strijd, als opgejaagd wild is hij gevlucht en van God en iedereen verlaten – zo voelt hij zich en zo verwoordt hij het ook als hem gevraagd wordt wat hij daar doet: “Ik heb mijn uiterste best gedaan om het volk Israel terug te brengen tot zijn God van wie ze afgedwaald zijn, alle andere profeten zijn gedood, ik ben de laatste die over is en nu zoeken ze mij… Kyrie eleison, Heer, ontferm U toch over mij, troost mij, kom mij te hulp, ik weet niet hoe het verder moet!”

Een geestesstorm komt dan voorbij. Wat dat precies is – ik weet het niet, maar het gaat om iets dat immens krachtig en stormachtig geweest moet zijn.
Maar in de geestesstorm – is de Heer niet.
Een aardbeving komt voorbij – maar in de aardbeving is de Heer niet.
Een verzengend vuur komt voorbij – maar in het vuur is de Heer niet.
En dan: de stem van een zachte stilte.
Of (zo wordt het ook vertaald): het suizen van een zachte koelte.
Of: het gefluister van een zachte bries.
Het lijkt de ruach van God uit het allereerste begin wel, als de adem van God over de chaos gaat en er lícht wordt geroepen. Want opeens is er licht. Uitzicht. Nieuwe adem. Hoop en toekomst.
In die stilte, in die afwezigheid van geluid die niet koud en eenzaam was maar zacht, koel, verfrissend, is iets geboren dat niet benoemd wordt maar waardoor Elia op pad kan. En nu krijgt hij antwoord, op hetzelfde kyrie dat hij eerder riep.

“Ga heen,” roept een stem, “keer terug naar je weg, – naar de woestijn van Damascus;
daar aangekomen zul je Chazaël zalven tot koning over Aram;
en Jehoe, zoon van Nimsji zul je zalven tot koning over Israël,-
en Elisja, zoon van Sjafat uit Aveel Mechola, zul je zalven tot profeet in jouw plaats.”
Een nieuwe weg ligt voor Elia open – ongeziene verre verten.
Hoe?
We weten niet wát er is gebeurd, maar dát er iets is gebeurd.

Zo laat Willem Barnard het Elia zeggen:

Gij gaat voorbij. Een grote ademtocht,
alles wat vastomlijnd leek staat te beven –
in de emotie heb ik U gezocht,
Gij waart er niet. Niets dan mijn eigen leven.

En de ontreddering ging voor U uit,
het vuur als uw heraut vooruitgezonden –
ik bleef alleen in mijn eenzelvigheid,
tot niemand onzer komt Gij onomwonden.

En dan, als niets meer spreekt, alles blijft stom,
achter een sluier soms, uit een stil midden
is er een stem. Gij spreekt, maar andersom:
als ik niets hoor, als ik niets weet te bidden.

Lezing: Johannes 20: 19-22 (Nieuwe Bijbelvertaling)

Aan de avond van die eerste dag van de week, waar Johannes mee begint, was een ochtend voorafgegaan, en dat werd de ochtend waarop voorgoed een ándere toon werd gezet – de toon van het léven.
“Vroeg op de eerste dag van de week, toen het nog donker was, kwam Maria uit Magdala bij het graf.”
U weet vast wel hoe het verder gaat… steen weggerold, Jezus is weg, waar is hij heen?
Hij is opgestaan uit de doden – Pasen!
Johannes vertelt dit verhaal dus aan het einde van die wonderbare dag waarop alles anders is geworden.
Om dominee Gremdaat te citeren: kent u die uitdrukking, als Pasen en Pinksteren op één dag vallen?
Die wordt doorgaans gebruikt voor iets dat niet mogelijk of niet haalbaar is.
Als de kalveren op het ijs dansen.
Als iemand opstaat uit de doden.
Pasen en Pinksteren op één dag, dat hebben we dus aan de evangelist Johannes te danken, want hij verkondigt opstanding én het ontvangen van de Geest op één dag.
Het is typerend voor Johannes om zo “dicht” te schrijven, dus om zoveel informatie met zoveel lagen in een paar zinnen te stoppen. In het eerste hoofdstuk van zijn evangelie, dat met Kerst gelezen wordt,
doet hij precies hetzelfde:
“In het begin was het Woord, het Woord was bij God en het Woord was God.
Dit was in het begin bij God.
Alle dingen zijn door het Woord geworden en zonder dit is geen ding geworden, dat geworden is.”
Probeer deze drie zinnen maar eens uit elkaar te halen, dat lukt bijna niet.
Je voelt aan dat Johannes iets heel belangrijks probeert te zeggen, dat hij zijn best doet om onder woorden te brengen dat het Woord zowel God zelf is als bij God is, maar dat en-en wordt al zo gauw of-of, of iets hiërarchisch, dat er eerst dit was en toen dat (eerst God en toen het Woord bijvoorbeeld).
Terugdenkend aan Genesis 1: het gaat er bij Johannes om dat de ruach, de adem, de geest van God, tegelijk gebeurt met zijn spreken en dat het dan ook gebéurt.
Licht. Leven. Liefde.
Maar bij Johannes wordt het ook erg duidelijk dat het een bijna ondoenlijke klus is om dat goed te vertalen…
Het gezegde luidt “vertalen is verraden”, en dat is precies waar het hier om gaat.
In een vertaling kun je nooit helemaal de essentie van een tekst weergeven, altijd gaan er nuances verloren die bij de grondtaal horen en in het ergste geval leidt dat tot het missen van essentiële informatie.
In mijn inleiding heb ik al even genoemd dat we, als we het in de kerk over Pinksteren hebben, hoogstwaarschijnlijk als eerste aan het bekende verhaal uit Handelingen 2 denken, over de leerlingen die worden aangeraakt door de geest en in alle talen, voor iedereen verstaanbaar, gaan spreken.

Want dat is een echt verháál, geen abstract betoog zoals Johannes die geeft – opstanding ’s morgens en Geest ’s avonds, waarbij de woorden van zijn getuigenis zó onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn dat ze zo moeilijk echt goed te vertalen zijn. Misschien is het ook daarom wel, dat de Nieuwe Bijbelvertaling een eeuwenoude vertaalfout heeft laten staan die zoveel op zijn geweten heeft:

Op de avond van die eerste dag van de week waren de leerlingen bij elkaar;
ze hadden de deuren afgesloten, omdat ze bang waren voor de Judeeërs.

Het gaat om dat woord “Judeeërs”.
Dat staat wel in de Naardense Bijbel, maar in de NBV staat er “Joden”.
In de Griekse grondtekst staat er “Ioudaioi”.
En ja, dat is altijd met “Joden” vertaald, met alle gevolgen van dien.
Johannes zou de meest anti-Joodse evangelist zijn van de vier.
De Joden hebben Jezus vermoord.
De Joden zijn de schuld van alles: oorlogen, pestepidemieën, de crisis en de werkeloosheid.
Hoe heeft het toch kunnen gebeuren dat ook bij de nieuwste generatie vertalers, die meegewerkt hebben aan de Nieuwe Bijbelvertaling, het kwartje niet is gevallen dat het niet logisch is dat de discipelen die zelf Joods waren, bang waren voor de Joden?
Wie is er dan bang voor wie, waar gaat dit over?
Het is eigenlijk zo eenvoudig: dit gaat over het verschil tussen Joden uit Galilea – Jezus en zijn discipelen – en Joden uit Judea.
Galilea werd als achtergebleven gebied gezien, een uithoek, waar alleen maar boeren woonden met een onverstaanbaar accent – een soort Groningen.
Er gaat niets boven Galilea.
En Judea, dat is dan een soort Randstad, Amsterdam, waar het gebeurt, Rotterdam, de metropool, Den Haag, het centrum van de macht.
Dat alles was Judea, waar de hoofdstad Jeruzalem als een parel in het midden lag.
En ja, het woord “Joden” is inderdaad afgeleid van Judea, maar een Judeeër kan wel een Jood zijn, maar een Jood is echt niet altijd een Judeeër.
Laten we voortaan waar “Joden” staat, “Judeeërs” lezen.
Want dát staat er.

Pasen en Pinksteren op één dag: dat is opstanding én ontvangen van de heilige Geest op één dag.
Of zullen we zeggen: opstanding en opstandigheid?
Dat we op mogen staan als mensen onrecht wordt aangedaan, in daden én in (vertaalde) woorden, afzonderlijke mensen en hele bevolkingsgroepen, dat we daartegen in opstand komen?
Is dat misschien dan ook wat Jezus bedoelde, waartoe hij de Geest heeft gegeven opdat wij leven, opdat wij een nieuw begin kunnen maken en met nieuwe ogen kunnen kijken?

Lezing: Handelingen 2: 1-13 (Naardense Bijbel)

De heilige geestesadem uit Handelingen doet denken aan de geestesstorm uit het verhaal van Elia op de Horeb.
In díe geestesstorm was de Heer níet – maar in dit geluid, dit ruisen, dit vuur, is Hij wél en zet allen in vuur en vlam.
En het is meer dan vuur en vlam: ook hier wil deze heilige Godsadem, deze heilige Geest, de trooster zijn.
Want de discipelen voelden zich, net als Elia, van God en iedereen verlaten.
Hun liefste leermeester en vriend Jezus was niet meer bij hen.
Gestorven, opgestaan, ten hemel gevaren – wie het weet mag het zeggen, zij moesten het zónder hem doen en ze wisten niet hoe.
Tot deze dag.
Vraag niet wat er gebeurde – ervaar dát er iets gebeurt.
Ze worden getroost.
Ze worden aangeraakt.
Hen wordt weer uitzicht gegeven, een nieuwe weg, toekomst.
Daarover wil ik u, tot slot, een prachtig verhaal vertellen dat ik hoorde van een collega.

“In een huis waar mensen met een verstandelijke handicap wonen is één van de bewoners, Jan, overleden.
Iris, begeleidster, heeft daar niet echt om kunnen huilen, want Jan is overleden na vele nare maanden, dagen en uren van ziekte.
Jans overlijden is dus ergens ook een opluchting.
En het werk gaat gewoon door; Iris gaat bewoner Kees eten geven.
Kees kan niet zelf eten.
Hij kan eigenlijk niets: zichzelf niet wassen, zich niet aankleden, hij is nooit zindelijk geworden.
Hij kan niet zitten, hij zit vastgebonden in zijn stoel omdat hij er anders uitzakt.
Hij spreekt niet, begrijpt geen woorden.
“Pap” is een klank waar hij geen betekenis aan kan hechten.
Een foto van een bord pap maakt hem ook niet wijzer.
Hij herkent pap als die hem in de mond gestopt wordt, want zijn mond opendoen en slikken kan hij wel.
Iris geeft Kees eten.
Dan klinkt in de kamer het lievelingsliedje van Jan – en bij Iris komen de tranen. Kees ziet dat en slaat zijn armen om haar heen.
Met alles wat wij over Kees weten, kan dat helemaal niet.
Hij kan aan tranen niet de betekenis van verdriet verbinden, laat staan verzinnen dat je iemand troost door je armen om haar heen te slaan.
En toch heeft Kees Iris getroost.
Alsof hij dat uit het niets heeft gedaan.
Kees moet je eigenlijk wel beschrijven met “niet”: niet zelf eten, niet zelf zitten enzovoort.
Maar ondanks dat “niet”, dat “niets”, heeft hij Iris getroost.
Dat kwam als een verrassing, maar het kwam niet uit het niets.
Het is moeilijk te zeggen wie Kees nu wel is.
Maar soms gebeurt hij.
Iris heeft het ervaren.”
Dus, wat wil ik hier nu eigenlijk mee vertellen: dat het me niet zoveel uitmaakt hoe het zit met die Geest.
Als Kees er maar is.
En op de één of andere manier hangt dat met elkaar samen.
Amen.

Gerelateerd