27 december 2016

Kerst: op zoek naar troost

Geschreven door Henk van den Berg

Twee jongens

Hoe bereidt u zich voor op de kerst?’, vraagt de mevrouw van de radio. ‘Ik probeer goed te voelen wat er speelt’, zeg ik live door ether. Ik ga op zoek naar wat ons raakt en bezighoudt. In dat zoeken kom ik twee jongens tegen. De één net vierentwintig. Zijn leven is verwoest door alle ontbering die een kind maar kan treffen. Duister beheerst zijn omgeving en woedt binnenin hem. Hij zoekt zijn geluk in het meest gastvrije land van Europa, maar Duitser zal hij nooit worden. Hij gooit keer op keer zijn eigen glazen in en uiteindelijk die van vele anderen. De jongen is dood, iedereen opgelucht. Wat niet had mogen gebeuren gebeurde toch, maar ze zijn kalm gebleven en hebben alles op alles gezet om het duistere brein achter de morbide daad op te sporen. Hij kijkt mij aan vanaf mijn scherm, terwijl hij in onbegrijpelijke taal zijn pact met de duivel sluit. Het duister heeft een gezicht. Een jong gezicht op de foto die zijn gebroken gesluierde moeder omhoog houdt.
In dat zoeken kom ik twee jongens tegen. De ander is zes en zal niet veel ouder worden. Een laatste wens. Nagels lakken van mannen en er geld mee ophalen voor het goede doel. Hij mag in het glazen huis en door berichten die zich razendsnel verspreiden wordt hij geliefd. Grote mannen smelten. Dit is werkelijk heel bijzonder, een jongetje met een duistere tumor in zijn hoofdje, dat lak heeft aan alle eerzucht en pretentie en gewoon iets goeds doet. Het licht heeft een gezicht. Een jong onbevangen kindergezichtje dat ernstig kijkt terwijl zijn vader hem, voor ieder die maar horen wil, hooghoudt.

Duisternis

Mijn gedachten dwalen af. Beelden komen op. Sinds mensenheugenis hebben duister en licht een vorm, een uitdrukking. Duivels en engelen, diep geworteld in ons onderbewuste. Beelden die helderheid scheppen over het bestaan van goed en kwaad, van duister en licht. Kijk toch eens hoe de Duits-Vlaamse Hans Memling in de 15e eeuw zich uitleeft in zijn verbeelding. Die helderheid zijn we kwijtgeraakt. We hebben geen allesbepalende opvattingen meer over wat goed is en wat niet. De visies op mens en samenleving, waar voorheen grote groepen zich in konden herkennen, eroderen en versplinteren. Hypes nemen de plaats in van visies en groeien uit tot tijdelijke erupties van welbegrepen eigenbelang voor een bepaalde groep voor een bepaalde tijd. Wij worden norm en beginsel van onszelf, wat ons ogenschijnlijk autonoom en onaantastbaar maakt, totdat de rauwe werkelijkheid inbreekt in ons bestaan en wij in grote onzekerheid en angst onze kalmte proberen te bewaren.

Troost

Giotto - de geboorte
‘Hoe bereidt u zich voor op de dienst?’, vraag de mevrouw van de radio. ‘Ik zoek naar troost’, zeg ik live door de ether. Ik zoek zwervend over het web, bij nieuwssites en radiokanalen. Ik wil alles weten over het duister en hoe het zover kan komen. Maar alle weten troost mij niet. Mijn angst wordt er door aangewakkerd en mijn vooroordelen aangescherpt, maar het troost me niet. Ik schamp langs een verhaal over een Duitse theologiestudent die op de gedenkplaats in Berlijn een bord had neergezet met een tekst over licht. Het kost me veel tijd om er een plaatje van te vinden maar het blijkt te staan op de website van de Duitse protestantse kerk. Als ik verder rondkijk op die site kom ik woorden tegen uit een lied van Jochen Klepper, Die Nacht ist vorgedrungen. Ik krijg rillingen over mijn rug. Dat lied hebben wij op de zondag van de derde advent hier met elkaar gezongen! Ik vind een serie foto’s van mensen die de aanslag gedenken, met kleine veelzeggende gebaren. Boven die foto’s telkens een andere regel uit dat lied. Als toelichting staat er alleen: bij deze beelden van rouw is een titel geplaatst uit een kerstlied uit 1938, omdat die tekst in tijden van onheil ruimte laat aan de hoop. Hoop in tijden van onheil, daar ben ik naar op zoek.

Geen vrede

‘Wat doet u tijdens de kerkdienst?’, vraagt de mevrouw van de radio. Ik zeg dat we veel kerstliederen gaan zingen en dat we oude verhalen lezen over hoop. Ik probeer hoop en troost uit de oude woorden tevoorschijn te lezen. De bijna drieduizend jaar oude woorden uit het boek Jesaja bezingen de vreugdebode, die redding en bevrijding aankondigt. Een hoopvol bericht. Had Jesaja facebook, dan zou hij veel likes gekregen hebben. In het evangelieboek Johannes staat het veel ingewikkelder. Waarom lezen we niet gewoon over de kribbe en Jozef en Maria? Nee, dat is de lezing van de Kerstnacht. Op deze dag wordt Johannes 1 gelezen. Bij Johannes geen herders en engelen die over vrede op aarde jubelen. Het Woord heeft een menselijke gestalte gekregen. De goddelijke oorsprong van al wat is, krijgt handen en voeten in ons mensenbestaan. Ik lees die worden steeds weer opnieuw. Ik blijf haken op dat mysterieuze zinnetje: het licht schijnt in de duisternis en de duisternis heeft het niet in haar macht gekregen. De donkere beelden vliegen weer door mijn hoofd. Berlijn, Aleppo, Mosul, Caïro, Istanbul, Brussel, Parijs, New York, waar ter wereld niet? En de toekomst? Velen waarschuwen al dat de geschiedenis van de komende jaren geschreven zal worden met bruine inkt. Ik merk dat ik de neiging heb een doemdenker te worden. Een zwartkijker. Ik lees de woorden weer. Het licht schijnt in de duisternis en de duisternis heeft het niet in haar macht gekregen De woorden uit die tweeduizend jaar oude tekst geven langzaam een grote wijsheid prijs. Zoek niet naar troost waar die niet is. Het zou een troostende gedachte zijn als morgen al het kwaad zou zijn verdwenen. Love en peace en understanding all over the world. Maar dat is valse hoop omdat de teleurstelling al is ingebakken. Er is geen vrede op aarde en die zal er menselijkerwijs ook nooit zijn. De oude tekst zegt niet dat er geen duister meer zal zijn. De tekst zegt dat in de duisternis een licht schijnt, dat het niet zal begeven. De duisternis is een gegeven, het licht is niet vanzelfsprekend te zien, maar is er wel. Wat is dat dan voor licht? Het Woord was leven en het leven was het licht voor de mensen, zegt de oude tekst. Ik ben er bijna, maar ik kan het nog niet pakken. Telkens ontglipt het me. Het licht is leven, is het Woord dat handen en voeten heeft gekregen, is God. Dus het licht is iets van God. Ik moet denken aan de Spaanse mystica Teresa van Avila. Zij schreef dat in elk mens het licht van God straalt als een fonkelende diamant. Wij zijn als het ware de draagmoeders van het licht dat wacht om geboren te kunnen worden. Dat is wat Jezus tegen Nicodemus zegt in het duister van de nacht, word van God uit geboren. Op mijn zoektocht naar troost en hoop beginnen zich nu wat contouren af te tekenen.

Gods licht

Ik ontdek nu dat het verhaal van de stal bij Lukas, zoals dat door Giotto zo prachtig uitgebeeld is, en het verhaal van het licht bij Johannes, twee manieren zijn om hetzelfde te vertellen. In ieder mens is Gods licht aanwezig. Wil het iets uitrichten in deze wereld dan zal het geboren moeten worden, zachtmoedig en kwetsbaar, zoals Gabriël Smit schrijft. Zo zal God ook in mij aan het licht moeten komen. Dan ben ik geen zwartkijker meer, die het licht wil toeroepen dat het geen zin heeft om in deze wereld te stralen. Dan ben ik nachtkijker geworden. Ik ben in staat door het duister heen te kijken naar sporen van licht. Dan kan ik in de stilte van nacht, sterren, adem het antwoord horen: zelfs op aarde vrede.

lezingen:
Jesaja 52, 7-10
Johannes 1, 1-13

Deze overweging werd door ds Henk van den Berg gehouden tijdens de viering van Kerstmis in de Remonstrantse Kerk in Lochem op 25-12-2016.

Gerelateerd